De snoepkar reed met een vrolijk deuntje de straat in, even later zag ik mijn nichtje en haar multiculturele kotertuig met grote suikerspinnen rondhuppelen. Het werd mij groen en geel voor de ogen, want vroeger kwam de snoepkar niet mijn straat inrijden en buitenlandse vriendjes had ik niet. De enige buitenlander die ik kende was de zwartepiet, maar die sloeg mijn buurt ieder jaar weer over. Mijn vrienden waren de overburen die ik simpelweg opa en oma noemde. Veel mocht ik niet bij hen thuis. Buiten spelen was uit den boze, ik was namelijk al een keer aangereden, dus het was voornamelijk zitten, kinderboeken lezen, snoepen uit de oude trommel en naar het kerkkoor. De vrijheid van een doorsnee vijfjarig kind had ik als kind niet, maar gelukkig was ik wel. Het was de hemel voor mij. Met een zware ketting was ik vastgeketend aan het lot om in een protestants-christelijke blanke bejaardenoord als de Grootstal op te groeien. Het onheilspellende geluid van loeiende ziekenwagens deden mij niets meer, de lijkwagens reden ook af en aan. De nabijheid en de bijzondere band met de bejaarden had mij niet alleen inzicht gegeven in hun omgeving en maatschappij, de dagen dat oma er niet meer was heeft mij op zeer jonge leeftijd op een heel affreuze wijze doen nadenken over de dood. "Oma is heengegaan mijn kind" vertelde opa mij. Mentale retardatie had ik niet, maar ik begreep niet wat opa mij duidelijk wilde maken. "Heen gegaan? Komt ze morgen dan terug" zou ik gevraagd moeten hebben, want vragen stellen, daar was ik goed in. Het komt me plotseling boven dat ik Petertje, de kleinzoon van de buren, vroeg welke bloem zijn moeder had geroken. Paardebloem? Ik vond hem namelijk prachtige "gele haren" hebben. Ik hoor zijn wonderbaarlijk versierde uitleg nog: "hù, wee jù da nie ofso? Jù papa hieft je moe giesekst hóó hej". Jakkes! Eĝĝe nie Peter! Jù lieĝ! Ik doe et toĝ ook nie met mien oma! Het bleek waar te zijn... dagenlang leefde ik in een roes.
Volgens mijn vader was één van de eerste diepgaande vragen die ik hem stelde waarom de mensen de één op de andere dag sterven. "Daar beslist God over", zou hij mij hebben gezegd. Op een dag pakte ik mijn vader bij de hand en sleurde hem naar buiten... "Wie is God, waar is hij? Laat hem zien..." "God is groot en hij is overal" zei vader. Het beeld dat ik toen van God had gevormd was een God'zillah die in het donker alles en iedereen opslokt. Zonder licht durfde ik geen oog dicht te doen. Stel je eens voor dat hij uit mijn kast komt stappen! "Dood hem, dan zijn we ervan af", dacht ik destijds. Volgens Nietzsche is God allang dood en is Hij maar een schijnvinding om een gelukkig einde van het leven tot stand te brengen. Op een wat latere leeftijd zocht ik antwoorden op de vraag waar de mens van begin af aan een antwoord op zoekt. Wat is het nut van het leven? De eigenwijsheid van de steenbok stroomde door m'n aderen en was er sterk van overtuigd hier het antwoord op te vinden... Na een tijdje wist ik het antwoord wel, maar was de vraag vergeten... De allegorische vertelling van Aristoteles over het leven vind ik tot nu toe het mooiste: "...de kiem heeft een drang in zich plant te worden. Zij moet het worden, wil zij zich verwerkelijken. Elk ding, elk zin draagt een zin en doel in zichzelf. In het lichaam ligt de geest. Zin en doel van het menselijk bestaan is de verwerkelijking van de geest. Hij moet een redelijk wezen worden. Zoals voor de kiem de plant, is voor de mens de kennis van de wereld verwerkelijking". Een ander filosoof, waar ik de naam van ben vergeten, heeft gezegd: "Het nut van het leven is er niet. Een jas heeft ook geen nut. Het heeft pas nut als je het aantrekt".
Dat oma niet meer terug zal komen begreep ik naderhand wel. Ik werd ouder. De buurt veranderde. Het grijze maakte plaats voor de kleuren en de lijkwagen maakte plaats voor de politiewagen. Buitenwettelijk hielp ik mee aan de inrichting van de buurt: ik stak de grote Verrijzeniskerk in brand met een paar nieuwe vrienden, ook heb ik miljarden kinderen vermoord. Bah! Of Allah, Jahweh, God of God'zillah het voor het zeggen hebben, ik schiet de hemel voorbij. Als een Kizilbash ben ik vanwege mijn licht ontvlambaarheid op voorhand al aangewezen als brandstof voor de hel. Misschien kan ik een spoedberoep doen bij Jehova, maar helaas accepteert hij maar "144.000 gekaufte heiligen im der schöne himmel", kreeg ik te horen van een half Duits- Turkssprekende Jehova's Getuigen die ik met moeite uit huis kon zetten. Mentale retardatie? Om het kort te houden vroeg ik niet of de selectie per week, per maand of per jaar plaats vindt. Bovendien is de kans dat ik genomineerd ben voor die 144.000 zeer klein en om heilig verklaard te worden zou ik mijn kerfstok eens flink moeten afschuren met staalwol. Daarnaast heb ik geen prijskaartje aan mijn strot hangen, dus iemand zou toch aangewezen moeten zijn die met enige nattevingerwerk mijn prijs moet bepalen. Ik hoop alleen niet dat ze een souteneur of een anarcho-kapitalist in dienst hebben genomen. Kom ik de selectie enigszins wel door na een paar honderd jaar in de wachtkamer te hebben doorgebracht? Genoeg tijd om mijn kerfstok te verwisselen! Van betrouwbare bronnen weet ik dat Petrus in dienst is genomen als hemelpoortwachter en bekend staat als een fervent drinker. Met een paar flessen wijn zou het dus goed moeten komen, denk ik dan. Ik blij, hij blij! Als hij vraagt om een fleswijn van het dure merk Petrus, kan ik alsnog rechtsomkeert maken. Hij moet maar genoegen nemen met de C'1000 kwaliteitswijn.
Een sacramentgenade kopen bij de Katholieke Kerk zou veel te duur uitpakken gezien de vele feiten waar ik genade voor wil vragen. Indien dat ook niet helpt kan ik nog terecht bij de Oost-Europeanen voor een vals paspoort. Eenmaal binnen is het wenselijk dat ik word rondgeleid door de vele tuinen, wijngaarden, kerken of moskeeën, hemelse honingboomgaarden en natuurlijk het "heilige stekkie" waar de 72 maagden verblijven! Na een paar honderd jaar kan ik ze allemaal aan! Daarna wil ik ze inruilen voor mijn vrouw, want mijn belofte voor haar zou nooit een schuld mogen worden. Bij weigering van hoger hand pleeg ik een coupe met een leger van schamende verliefde mannen! In een boek van Plato "Sokrates' leven en dood" verteld Akousileos: "...nu is het volgens mij zo dat een man die verliefd is, als hij betrapt terwijl hij iets schandelijks doet of een ander ondervindt omdat hij te slap is om zichzelf te verdedigen, niets zo pijnlijk vindt als daarbij door zijn geliefde gezien te worden, ook niet als het zijn vader is die het ziet of zijn vrienden of wie dan ook. Het zelfde zien we ook bij degene die bemind wórdt. Hij schaamt zich het meest voor zijn minnaar, wanneer hij in een beschamende toestand wordt gezien. Als er dus iets verzonnen zou kunnen worden waardoor een gemeenschap of een leger zou bestaan uit minnaars en geliefden, dan zou geen gemeenschap beter kunnen functioneren dan de hunne, want ze zouden zich dan voor elkaar willen onderscheiden en alles achterwege laten waarvoor ze zich moeten schamen. Ook in het gevecht zouden zulke mensen met elkaar, met hoe weinig ze ook waren, om zo te zeggen de hele wereld aankunnen. Want het laatste wat een verliefde man wel zou willen, is dat zijn geliefde zou zien hoe hij het gelid verliet of zijn wapens weggooide. Hij zou liever duizendmaal sterven. En ook het in de steek laten van een geliefde of hem niet te hulp komen in gevaar -niemand is zo laf dat Eros zelf hem niet zo met dapperheid zou kunnen bezielen dat hij de dapperste naturen evenaart". Zo ook mijn leger.
Alleszins, wat ik niet hoop te zien is een non-multiculturele gemeenschap van heilige boontjes en humorloze kerk- of moskeegangers met stijf kijkende gezichten onderdrukt door de smog van helse schoorstenen en de wetten van de Sharia of de Tien Geboden. Nee, dat moet ik niet hebben, dan blijf ik liever in de hel zoals ik die ken: de grachten, ondergescheten stoepen, de hoerenbuurten, de Goethe-Instituut, verslaafden, dichthuizen, türkübars, goddelijke standbeelden, muziekhuizen, Opera- en Theaterzalen, disco's, coffeeshops, musea, Synagogen de Boeddhistische Tempels, Moskeeën, Kerken, de Felix Meitis, Cemhuizen, de vele vuile bankjes in de binnenstad waar ik in de koele buitenlucht, zonder angst, gedichten van Nazim Hikmet zou kunnen lezen met de Ecce Homo, Het Manifest, De 120 dagen van Sodom als armsteun, een plek waar ik me kan beklagen over God, een praatje kan maken met mijn joodse, Antilliaanse, Koerdische, Armeense en Turkse vrienden, een plek waar ik mijn tijd kan verspillen aan zinloze verhalen als deze.
Is dit waar je je hele leven in hebt gezeten? Frustraties, door iets uit te schreeuwen jezelf overtuigen van je overtuiging?
Of schets ik nu slecht een psychologisch beeld van Parmenides?
Zo niet, dan betekent dit dat je jezelf niet hebt overtuigd van je overtuiging..
Nehir
om Arrayu
Nehir
reactie geplaatst op om Arrayu
Volgens mij gaat het om de vraag: wie ben ik? Een identiteitscrisis op deze leeftijd leek me onwaarschijnlijk, maar zelfbewustzijn is een belangrijk goed voor de mens. Als je vele paradoxen hebt in je leven dan is dat ook niet verwonderlijk. Nederlanderschap vs. het Turks zijn; Moslim vs.een ander geloof of atheisme; Soennieten vs. Alevieten,etc etc... Identiteit is niet iets wat t resultaat is van een denkproces en een bewuste keuze in een bepaalde richting. Het is een verschijnsel vind ik. Het onstaat vanzelf, uiteraard na bepaalde keuzes in het leven. Maar je bent wie je bent.
Volgens mij heb ik een beetje the point in het verhaal gemist, dus vergeef me als ik heel erg in het luchtledige aan t kwebbelen ben...
Kezza
om Arrayu
Kezza
reactie geplaatst op om Arrayu
Zo kun je overal wel een probleem van maken en er een moeilijk woord aan koppelen. We leven niet in GTST dus als je gewoon vooral tegen jezelf eerlijk bent dan is er niets aan de hand.
Noir Rules!
84
om Arrayu
84
reactie geplaatst op om Arrayu
kon je dit niet in part's plaatsen, want dit ziet er erg onaantrekkelijk uit om te lezen