|
Op ruim de helft (56 procent) van de openbare basisscholen wordt godsdienstonderwijs gegeven door mensen van buiten de school. Dat gaat niet ten koste van de neutraliteit van de scholen. Dat hebben minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie en staatssecretaris Dijksma van Onderwijs geantwoord op vragen van GroenLinks-Kamerlid Dibi en SP’er Karabulut.
Op de openbare scholen wordt vooral christelijk godsdienstonderwijs en humanistisch vormingsonderwijs gegeven. In slechts 4,3 procent van de gevallen betreft het islamitische godsdienstlessen. Het godsdienstonderwijs wordt op verzoek van de ouders gegeven door mensen van buiten de school. De lessen maken geen deel uit van het gewone rooster op de scholen. Omdat er geen leraren van de basisscholen bij betrokken zijn, is de neutraliteit van het openbaar onderwijs volgens de bewindslieden gewaarborgd. „De school bemoeit zich immers niet met de inhoud van het vrijwillige godsdienst- of levensbeschouwelijke onderwijs.” Andersom kunnen de godsdienstonderwijzers zich niet bemoeien met de inhoud van de andere lessen op de school. De bewindslieden kondigden aan dat ze een verkennend onderzoek laten doen naar de „zorgelijke kwaliteit” van het islamitisch godsdienstonderwijs op weekendscholen in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart. Mocht het nodig zijn, dan zullen de nodige maatregelen worden getroffen.
De discussie over godsdienstonderwijs op openbare scholen laaide begin vorige maand op na een pleidooi van voorzitter Marcouch (PvdA) van de stadsdeelraad in Slotervaart. Hij betoogde dat openbare scholen veel meer ruimte moeten bieden aan religie, en dan vooral aan de islam. Marcouch vindt dat scholen ook het scheppingsverhaal moeten vertellen en islamitische gebruiken en feestdagen moeten respecteren. Zijn partijgenoot Asscher, onderwijswethouder in Amsterdam, verzette zich daartegen.
|